‘Mij hoef je niets te leren, ik weet toch wel hoe het is om ziek te zijn?’

Het staat al lang gepland en nu komt het er dan van. Ik ben op weg naar een inleefsessie in het Zorgtrainingscentrum. Als organisatie (Zonnehuisgroep IJssel-Vecht, red.) vinden we dit belangrijk om mee te maken, dus dan moet ik het natuurlijk zelf ook doen.

Pyama, kam en tandenborstel

Met een tas met pyjama, kam en tandenborstel sta ik om 10 voor 8 voor de deur bij het Zorgtrainingscentrum. Heel enthousiast ben ik niet, ik weet niet of ik nog nieuwe dingen ga leren. Ik weet toch wel hoe het is om ziek te zijn? Ik heb al eens in het ziekenhuis gelegen, ik heb een dag als blinde rondgelopen, ik heb meegelopen in de zorg. Mij hoef je niets te leren, dat weet ik allemaal wel. Ik kan natuurlijk omkeren… maar nee, dat is flauw. Afspraak is afspraak.

In de inleefsessie zijn wij nu de ‘patiënten’. Van tevoren moest ik opgeven wat voor patiënt ik wilde zijn. Een revalidatiepatiënt? Of iemand met dementie? Een boze en opstandige patiënt of iemand die het allemaal maar over zich heen laat komen?

Ik besluit als mijn moeder te gaan. Haar ken ik het beste. En van haar weet ik hoe ze was, in het verpleeghuis, op het laatst van haar leven. Haar geheugen verdween, ze kon niet meer lopen en zat in een rolstoel. Dan kan ik dat ook eens meemaken.

Je mag ook zelf kiezen wat je wel en niet wilt meemaken. Wil je onder de douche? Dat kan. Wil je dat juist niet? Dat kan ook. Ik ben geen held, wassen en toiletgang vind ik al heel wat.

Zouden ze me vergeten zijn?

Daar zitten we dan met elkaar, als een groep onwennige patiënten. Ik ken bijna niemand, maar het helpt wel dat iedereen een beetje zenuwachtig is. De studenten die ons gaan verplegen zijn dat ook, ze giechelen wat af met elkaar. We krijgen allemaal een kamer en een bed toegewezen.

Ik lig in bed en ik wacht. Het wordt 9 uur, half 10. Af en toe steekt de ‘zuster’ haar hoofd om de deur. Een keer denk ik dat er iemand naar me toe komt, maar dan loopt ze weer weg! Zouden ze me vergeten zijn? Raar hoor, zo opeens op een doordeweekse werkdag in bed liggen.

Dan komt er leven in de brouwerij. Met zijn tweeën komen ze me helpen. Want ik kan niet zelf uit bed. Ik word aangekleed en mijn haren worden gekamd. Waarom, dat kan ik best nog zelf, dat kon mijn moeder ook! Ik zie er raar uit in de spiegel.
Naar de ontbijttafel, ik krijg een witte boterham met kaas voor mijn neus. Er is geen bruin brood. En verder alleen maar jam. De studenten zijn ontzettend lief, maar erg onrustig. Ze lopen regelmatig weg.

De tafel wordt snel afgeruimd en de studenten lopen naar de gang. Wat nu?

DSC0200

Ik zit in mijn rolstoel, ik kan geen kant op. Het wordt heel stil in de huiskamer. Op de gang loopt een patiënt hard te roepen, die heeft duidelijk een hele andere patiëntenrol gekozen. Er komt iemand aan tafel zitten met een spelletje. Daar werd mijn moeder wel enthousiast van. Ik inmiddels ook, hoewel ik pim-pam-pet niet zo spannend vind. Maar nu vind ik alles beter dan niets doen. Het wordt echt gezellig aan onze tafel.

De studenten komen weer terug: ‘We gaan lekker warm eten!’ Eten? Het is 10 voor 12! Uit grote bakken worden er borden vol nasi geschept. Het is best te eten, maar veel te vroeg! En te veel. Ik kan niet goed bij mijn bord, mijn rolstoel past niet goed onder de tafel. Om kwart over 12 is de tafel alweer afgeruimd. Tja, wat nu?

Normaal gesproken ben ik de hele dag in touw, van de ene vergadering naar de andere. Veel mensen en actie om me heen geeft energie en inspiratie. En nu word ik juist doodmoe van al die drukte. Al dat geloop, al dat gepraat. Iedereen praat over mijn hoofd heen. Vanuit mijn rolstoel kan ik het allemaal niet bijhouden wat er gebeurt. En ik kan zelf helemaal niets.

Ik ga me steeds meer mijn moeder voelen, ik doe net of de buitenwereld er niet meer is. Gewoon een beetje knikkebollend de dag door. De studenten denken dat ik slaap. Dat is niet zo, maar ik wil gewoon even niets. Een student komt even bij me zitten. Heel lief vraagt ze naar mijn kinderen. Ik vertel er graag over.

Een geweldig voorstel

Dan komt er een geweldig voorstel: lekker naar buiten. Ik wist niet dat je zo kunt genieten van een blokje om. Heerlijk. Ik voel de wind en ik zie ‘gewone’ gezonde mensen op de fiets naar de stad rijden. Ik kan me bijna niet voorstellen dat ik daar straks ook weer tussen rijd.

Om half 4 houdt de inleefsessie op. Het kost me echt moeite om om te schakelen. Wat een dag. De studenten vertellen over hun ervaringen en wij ‘patiënten’ over de onze. Natuurlijk geven we veel complimenten, want alle studenten hebben enorm hun best gedaan. En we geven tips, over zelf haren laten kammen bijvoorbeeld. De boze patiënt vertelt wat haar geholpen zou hebben. De studenten leggen uit dat ze mij niet vergeten waren, maar dat het veel tijd kostte om een andere patiënt te helpen. En dat zij ook niet wisten dat er om kwart voor 12 opeens karren met warm eten in de huiskamer stonden, dat kun je toch niet koud laten worden?

Wat vond ik van deze dag? Het was bijzonder. Vond ik het een fijne dag? Nee, dat is het verkeerde woord. Heb ik ervan geleerd? Ja, heel veel.

Over hoe het voelt als je niets meer zelf kunt of mag, als het eten voor je wordt opgeschept, over hoe vermoeiend alle drukte om je heen is. Over het eindeloze wachten, waardoor ik gewoon afhaakte.
En over het moeilijkste: al die vreemde mensen die mij niet kennen, die zonder te vragen van alles gaan doen. Op het laatst wilde ik eigenlijk alleen nog maar heel graag dat mijn eigen dochter zou komen, een echt vertrouwd iemand, die ik niets hoef uit te leggen.

Met elkaar, ‘patiënten’ en studenten, komen we tot de conclusie dat het een hele goede dag is geweest. We hebben allemaal veel geleerd en we zullen er allemaal dingen van meenemen, van deze dag.

En zo is het ook. Ik denk nog regelmatig aan de inleefsessie terug. Ik ben blij dat ik die ochtend wel over de drempel ben gestapt en gewoon gegaan ben.

Rita van Odenhoven, bestuurder Zonnehuisgroep IJssel-Vecht, deed mee aan een inleefsessie in het Zorgtrainingscentrum.